Carl De hoofdpersoon ziet ook in het - in zijn ogen - vreemde en buitenissige gedrag van de inheemse bevolking, zichzelf terug en ervaart een soort van oergevoel van verbondenheid als mens.
Ja, daardoor vond ik dat de neerbuigendheid niet de boventoon voert. Natuurlijk zou je vandaag niet meer spreken over negers, nikkers en wilden, en dat is een goede ding. Maar ik heb het boek helemaal niet ervaren als een poging om de inheemse bevolking te ridiculiseren.
' […] deze mannen hier konden met de beste wil van de wereld geen vijanden genoemd worden. Misdadigers werden ze genoemd, en de geschonden wet was tot hen gekomen, net als de ontploffende granaathulzen, een onverklaarbaar mysterie vanuit de zee.' (pag. 26)
"Rebellen! Ik was benieuwd hoe ze straks weer genoemd zouden worden. Er waren vijanden geweest, misdadigers, arbeiders - en dit waren dan - rebellen.' (pag. 100)