Wanneer ik de eerste bladzijdes opnieuw lees, merk ik eigenlijk gelijk dat Stad O. geen gewone plek is. Al in de openingszinnen zitten kleine hints verstopt dat er iets te soepel loopt. Die speciale dienst Tevredenheid & Woongeluk bijvoorbeeld: dat je op een zaterdagavond gewoon iemand aan de lijn krijgt die meteen belooft dat er binnen een uur een monteur langskomt, dat is in onze wereld bijna niet voor te stellen. En dat je “nog” iemand van vlees en bloed spreekt, geeft ook aan dat dat buiten O. blijkbaar allang niet meer normaal is. De extra’s,zoals een saunabon als excuses ‘aken dat gevoel van overdreven comfort alleen maar sterker.
Het is zó ideaal dat het haast onnatuurlijk aandoet. Je wordt daardoor als lezer vanzelf nieuwsgierig wat er achter dit perfecte plaatje schuilgaat, en waarom de bewoners van O. het zo uitzonderlijk goed lijken te hebben.
Daarbij valt ook op hoe weinig vragen er gesteld worden bij dingen die eigenlijk raar zijn. Het feit dat niemand echt reageert op het plots verdwijnen van Teun en Amir, terwijl het koffieapparaat nog gewoon staat te pruttelen, wijst op een soort gezamenlijke ontkenning. Tijdens het feestje lijkt iedereen dat ongemak weg te drinken met illegaal gekochte wijn—iets wat blijkbaar oogluikend wordt toegelaten. en die autoriteiten met vrouwennamen zoals “Moeder”, wat meteen doet denken aan dystopische newspeak, geven me een naar gevoel. Het zijn geen grote signalen, maar ze beginnen wel aan je te knagen.
Kortom: de eerste pagina’s laten nog geen harde alarmbellen afgaan, maar er zitten wel degelijk allerlei kleine, bijna onschuldige details in die laten voelen dat Stad O. niet alleen comfortabel is…