Dit boek is een uiterst interessante lectuur geweest. Ik heb zeker genoten van het verhaal van Jacob Willem Katadreuffe, ‘een karakter in wording’, maar werd ook gegrepen door andere karakters, vooral dat van Jacoba Katadreuffe. Haar zwijgen: ‘Ze was tegen niemand vertrouwelijk.’ ‘Zij kwam eerder tot daden dan tot woorden.’ Haar creativiteit: ‘Ze bezat een natuurlijke vaardigheid in handwerken.’ ‘Ze bezat een aangeboren vermogen tot aparte kleurenschikking. De kleuren die ze naast elkaar plaatste, hoorden dikwijls theoretisch niet samen en toch harmonieerden ze, doordat ze de juiste nuances bijeen zocht.’
De sfeer van het Rotterdam in de jaren twintig sprak me aan. Ik heb oude foto's op internet gezocht; het is nu zo anders. Iets viel me op: er bevinden zich nog steeds meerdere advocatenkantoren aan de Boompjes, al is het nu natuurlijk in enorme gebouwen. De opkomst van het communisme in een arbeidersstad is te begrijpen. Ik geloof dat ik graag naar de film in de Caledonia was geweest om de sfeer te proeven.
De taal en schrijfstijl vond ik ook interessant; het is prachtig om te zien hoe een taal evolueert. Ik heb vaak een woord moeten opzoeken, want ik ben niet vertrouwd met het Nederlands van bijna een eeuw geleden.
Drie onderwerpen vond ik markant:
Ten eerste de houding en mening van Jacoba tegenover vrouwen. Ik had eerder een verwijzing naar emancipatie en feminisme verwacht, maar: ‘Zij nam het zich kwalijk dat zij een vrouw was.’ ‘Een trotse haat tegen haar geslacht in het algemeen.’
Het verschil tussen stad en platteland vond ik ook een fijne kanttekening; hoe de broers Burgeik zich voelen op kantoor, al blijft hun gedrag ondoordringbaar. ‘Zij keken strak, ze droegen een masker, men kwam niet achter hen; het was het masker dat de plattelander voorzet in zijn contact met de stedeling die hij beschouwt als zijn vijand. Zij waren voor honderd procent plattelanders, de stad zou nooit vat op hen krijgen.’
Ook de overpeinzingen van De Gankelaar over de mens vond ik intrigerend: de mens met al zijn verschillen en facetten, die toch onder één begrip genoemd wordt. Het deed me denken aan kubistische portretten, waarin schilders uit dezelfde periode ook de facetten van de mens trachten weer te geven in plaats van het nauwkeurig overbrengen van het uiterlijk.
Een heel geestige quote van De Gankelaar:
Hij (De Gankelaar) zei ook: ‘Op zondag werk ik niet, dat spreekt, maar daar heb ik geen voldoening van. Het wordt pas aardig om te luieren als anderen werken. Dus luier ik ook op werkdagen, ja, op werkdagen vooral.’
Wat een verschil met Jacob Katadreuffe, die zich het hele boek lang doodwerkt om zijn doel te bereiken en toch aan het einde beseft dat hij pas aan het begin is.