Momenteel zit ik tot over mijn oren in de controle van het binnenwerk, het als boek opgemaakte manuscript voordat het naar de persklaarmaker gaat. Daarvoor waren er nog een aantal keuzes die gemaakt moesten worden. Natuurlijk voor de cover, daarover vertel ik volgende keer meer. Vandaag wil ik het eerst hebben over de opmaak en de vormgeving van het binnenwerk.

Verhaaldragers
Gangbaar is dat de lay-out opgebouwd wordt met inspringen en witregels om het lezen te ondersteunen. Dit keer kwam mijn uitgever met een ander voorstel. Ze stelde voor om een heel andere typografische vorm te gebruiken om het verhaal meer te dragen, zonder het te sturen. Dat zou betekenen dat het inspringen vervangen zou worden door smalle witregels waardoor dialogen losser ogen. En op sommige plekken zouden de tekstblokken iets compacter worden. Haar argumenten hiervoor waren dat het oog van de lezer net als het personen zoekt en door de vorm komt er ruimte voor wat tussen de regels staat, waar vaak de betekenis te vinden is. Ze merkte op dat deze vorm niet op zich zelf staat, maar dat iets vergelijkbaars ook in sommige romans is terug te vinden. Ik vond het spannend maar hou ook van experimenteren, dus zei ik ja.
Schrikken
Een paar dagen later schoot ik er midden in de nacht van wakker. Ik herinnerde mij romans met een afwijkende lay-out, die vielen lang niet altijd bij iedereen in de smaak. Misschien zou het anders zijn als ‘iedereen’ voor de nieuwe De Waard naar de boekwinkel zou rennen, maar nu leek het me beter om te kiezen voor de traditionele typografische vormgeving. Gelukkig heb ik een flexibele uitgever en ze zette het manuscript om. Voor mij voelt dit goed, ik ben wel benieuwd hoe jullie tegen afwijkende typografie aankijken: hou je daarvan? En misschien heb je een voorbeeld waar je heel enthousiast, of juist niet over, een heel eigen vormgeving was?