Deel 1 van de Anton Wachter romanserie.
De hernieuwde kennismaking met Vestdijk bevalt prima. Taal die me zeer bevalt.
Mooie sfeertekeningen: “Harlingen” rond 1905. De tijd van nog veel paarden en nog nauwelijks auto’s in Nederland. Prachtige zinnen en beschrijvingen vanuit het perspectief van een opgroeiend kind.
Angsten, onzekerheden, vriendschappen, vechtpartijen, verliefdheden. Het Harlinger stadsfries (“dikharsens”, blz. 8), dat mij als geboren Leeuwarder ook bekend is. En natuurlijk de typisch Friese indirecte aanspreekvorm, als Sjoerd de Weerd aan de moeder van Anton vraagt: “heeft mevrouw mijn lied al gehoord?” (100). Ook komische zinnen, zoals: “… vertelde ze hem, dat ze in haar jeugd de laatste man had zien ophangen, dat wil zeggen, de man die als laatste opgehangen werd, een moordenaar”, (66). Of, op blz. 155: “In dit negeren overtrof zijn grootmoeder hem nog, die nu eenmaal in een tijd geboren was waarin meisjes nog niet zo goed wisten, dat de mens naakt werd als je hem uitkleedde.” Ook de dromen zijn intrigerend, bijv. de laatste op blz. 181. Ook de ziekenhuiservaring van een kind in vroeger tijden is goed beschreven (van alles doen met een kind zonder te vertellen wat er speelt).
Ook de afsluiting is raak: “En zo werd alles weer gewoon….” (188).
