Tussentijds. Bundel studies aangeboden aan W.P. Gerritsen ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag., onder redactie van W.P.: A.M.J. VAN BUUREN / H. VAN DIJK / O.S.H. LIE / F.P. VAN OOSTROM is UIT
Het is niet altijd geen gemakkelijke bundel. Sommige teksten zijn niet zozeer erg technisch, als wel erg gedetailleerd. Er is bv. een beschrijving van een handschrift, waarbij de auteur op een bepaald moment enkele letterbeelden nauwkeurig gaat beschrijven. Dan denk ik: "Man, zet er toch gewoon een foto in!". Maar toegegeven: hij heeft gelijk, als je niet precies beschrijft wat je ziet, kun je het iemand anders niet doen zien. Er staan trouwens foto's in. Vermoedelijk is de bedoeling van deze handschriftbeschrijving om ons uitdrukkelijk te tonen waarop we moeten letten, zodat het mogelijk is om dezelfde kenmerken in andere handschriften terug te vinden en daardoor verwantschappen te ontdekken tussen scriptoria en copiïsten, eventueel met de kans om de copiïst van dit handschrift te identificeren. Nutteloos is het dus zeker niet, maar ik kan me voorstellen dat de minder gespecialiseerde belangstellende dit artikel niet het boeiendste van de hele bundel zal vinden.
Maar er zijn andere bijdragen die ook wel eens de interesse zouden kunnen grijpen van wie wat voorbijgaande aandacht voor de Middeleeuwen heeft, zoals het technisch lijkende artikel over een computeranalyse van een kroniek van Regino van Prüm, dat ons veel vertelt over het gedrag van de adel in de 9e en 10e eeuw, en over hun huwelijksopvattingen. De #MeToo beweging zou er nogal wat werk aan hebben.
Ook boeiend vonden wij de beschrijving van allerlei wonderlijke apparaten die de Middeleeuwers via de Arabieren leerden kennen. Die tekst is trouwens in het Duits geschreven. Twee andere teksten zijn in het Engels.
Een van de essays verbaasde ons omwille van de inhoud: ze bespreekt een leerdicht van de Portugees Juan Ruiz, die het ook in het Portugees had geschreven. Het is een vreemde eend in de bijt in deze groep, maar we konden wel plezier beleven aan de analyse door Henk de Vries, en zeker aan zijn vertaling van die oude Portugese verzen.
Een ander merkwaardig geval beschrijft de opvattingen over de salamander, vanaf Aristoteles tot ergens in de Middeleeuwen. Samen met de eerder vermelde beschrijving van het handschrift vinden we dit een van de moeilijker te behappen essays, o.a. omdat al die toenmalige geleerden er flink naast zaten. Een salamander kan in het vuur leven en het zelfs blussen? Bah! Zal wel zijn! Heeft echt nooit een van die schriftgeleerden echt ooit een salamander gezien? Het absolute gebrek aan enige degelijke wetenschappelijke methode die conclusies over de realiteit trekt door die realiteit te observeren, maakt van dit epistel een taaie lezing.
Dan zijn de beschrijvingen over de literaire ontwikkelingen van de afgewezen minnaar in de epiek een stuk boeiender. Het behandelt nu eenmaal toch fictie, en fictie gaat vaak over mensen, en dan duiken al gauw enkele waarheden op die de millenia trotseren.
Het is dus een bundel die het door de nauwgezetheid van de studies zeker waard is om te worden gelezen, en die we ook aan de occassionele lezer durven aanbevelen, al zal hij waarschijnlijk wel enkele stukken overslaan om er het plezier niet bij te verliezen.