In 2023 verschenen alle romans van de geniale Rus Andrej Platonov (1899-1951) in één band. Groot nieuws, want vooral Tsjevengoer en De Bouwput worden gerekend tot de ultieme toppen van de Slavische letteren. Topvertaler Aai Prins vertaalde Platonovs adembenemend bijzondere proza bovendien in een adembenemend bijzonder Nederlands. En nu is De bouwput, volgens sommigen Platonovs mooiste, ook afzonderlijk gepubliceerd. Dat prachtboek las ik al twee keer met rode oren, dankzij de aanstekelijke vertalingen van Kees Verheul uit 1976 en 1990. Maar in de vertaling van Aai Prins swingt het echt totaal de pan uit. Dus schrijf ik daar nu een blog over, die overigens ook als recensie op boekenkrant.com is geplaatst, en mijn hebban- recensie van de vorige vertaling laat ik gewoon staan. Al was het maar uit pure nostalgie.
De stijl van De bouwput is volkomen uniek. Platonovs zinnen lijken mis te tasten, onbeholpen naar betekenis te zoeken, vaak zelfs de fout in te gaan. Wat fascinerend vreemde formuleringen oplevert als: “zijn verdorde mond, waarlangs een baard van afmatting maar zwak groeide”. Of: “Anderen stonden zich voorovergebogen op de borst te slaan om daaruit een gedachte te horen komen, maar hun hart klopte licht en treurig alsof het leeg was, en antwoordde niet.” En, niet minder merkwaardig: “Ieder van hen had een eigen idee bedacht voor een toekomstige redding hiervandaan”. Maar precies door die vreemdheid zijn die zinnen erg origineel en raak. In de eerste passage worden de afmatting en verdorring mooi voelbaar door de vreemde woordkeus en woordvolgorde. De tweede verwoordt de onbestemd treurige innerlijke leegte op wel heel indringende wijze. En de derde benadrukt fraai het zo intense verlangen om te ontsnappen naar een leven elders, door de vreemde positie van het woord ‘hiervandaan’.
Veel van Platonovs zinnen zijn raadselachtig poëtisch. En op fascinerende wijze anders dan wij gewoon zijn. Ze roepen vreemde perspectieven en ervaringen op, die je in andere boeken niet ziet. Wat nog wordt versterkt doordat de beschreven gebeurtenissen geen enkele inherente logica hebben. Of alleen de grillige logica van toeval en droom. De onwetende verteller en de vele verschillende personages begrijpen dan ook niets van wat er gebeurt, en kunnen er alleen in mistastende formuleringen op reflecteren. En als lezer kun je er alleen verbluft naar staren.
De zo bizarre stijl en inhoud van De bouwput passen bovendien naadloos bij de bizarre werkelijkheden die deze roman beschrijft. Want hij speelt in de Sovjet- Unie in de jaren ’30. Toen was Stalin zo’n vijf jaar aan de macht, en was de meedogenloos- terroristische collectivisatie van de landbouw in volle gang. De chaos en ideologische geestesverwarring trouwens ook. Platonov beschrijft op geniaal groteske wijze hoe tientallen koelakken op een vlot worden gezet dat door de stroom naar zee zal worden meegenomen. Maar zulke zaken gebeurden ook écht, in de onbevattelijk groteske werkelijkheid van toen. Platonov verbijstert ons met surrealistische passages over onmetelijke zwermen aasvliegen, die zich in besneeuwde winterlandschappen volvreten aan eindeloze hoeveelheden dood vee. Maar ook dat, hoe ongelofelijk ook, is authentiek. En precies dat ongelofelijke van toen wordt prachtig voelbaar in Platonovs bizarre, mistastende zinnen. Maar ook door zijn bizarre fantasie.
Een van zijn personages is bijvoorbeeld een beer, die werkt bij een smid. Ook wordt hij een “oude, verschroeide mens” genoemd die “van verdriet grijs” is. Want hij is wreed onderdrukt. Net als zijn menselijke lotgenoten. Het beest treurt zodra het denkt, net als de menselijke personages. Vaak wordt hij gegrepen door onmachtig verdriet: “Waarschijnlijk had hij zijn mond in de grond gedrukt en jankte hij droevig in de doofheid van de bodem zonder zijn verdriet te begrijpen”. En we voelen mee met zijn door de dove bodem genegeerde en gesmoorde verdriet. Ook dat maakt dit dier herkenbaar menselijk. Terwijl het toch een dier blijft. Bovendien worden diverse menselijke personages juist dierlijk. Zo evoceert Platonov een ongelofelijk ambigue en surrealistische wereld waarin zelfs de grens tussen mens en dier vervaagt. En dat lukt hem op imponerende wijze, door zijn bizarre stijl en verbeeldingskracht. Realistische schrijvers dringen niet zo diep door in de bizarre kern van de ongelofelijke werkelijkheid. Realistische schrijvers zijn minder gevoelig voor de surrealistisch- absurde kanten die de werkelijkheid soms heeft.
Platonovs wereld is bovendien doordesemd van indringende melancholie en treurnis. Elke mens, elk dier en elk fenomeen is verdrukt, verweesd, onbedoeld geboren, en tot doelloze dood gedoemd. Ook dat weet Platonov te vatten in ongewone zinnen en beelden: “Tsjiklins onophoudelijk werkzame levensgevoel maakte hem triest, vooral toen hij een schutting zag waar hij als kind vol blijdschap tegenaan gezeten had, maar die nu berijpt was met mos en overhelde met priemende, oeroude spijkers die zich door de kracht van de tijd uit de beklemming van het hout bevrijd hadden; het had iets treurigs en mysterieus dat Tsjiklin een man was geworden, vergeetachtig zijn gevoel had vermorst, door verre oorden was getrokken en op allerlei manieren gewerkt had, terwijl die bejaarde schutting daar onbeweeglijk had gestaan en denkend aan hem aldoor had gewacht op het moment dat Tsjiklin voorbij zou lopen en met een hand die het geluk ontwend was de door iedereen vergeten latten zou strelen”. Prachtig, die oeroude spijkers die zich bevrijden uit de beklemming van het hout. Schrijnend, dat contrast tussen Tsjiklin als blij en beweeglijk kind, en de bejaarde, onbeweeglijke, op de ongelukkige Tsjiklin wachtende schutting. Schitterend, die ongelukkige hand die de vergeten latten streelt.
Heel fraai is ook de volgende passage, waarin spittende arbeiders en vliegende vogels worden getroffen door dezelfde zinloosheid en uitputting: “De zon stond nog hoog en de vogels zongen klaaglijk in de verlichte lucht – niet jubelend, maar op zoek naar voedsel in de ruimte; zwaluwen scheerden met van uitputting verstommende vleugels langs de kromgebogen spitters, en onder hun dons en veren was behoeftig zweet opgeweld- ze waren als sinds het ochtendgloren aan het vliegen, zichzelf aan één stuk afbeulend ter verzadiging van hun kuikens en vriendinnen. Ooit had Vojtsjov een vogel opgeraapt die plotsklaps in de lucht was gestorven en neergevallen: het dier was kletsnat van het zweet; en toen Vojtsjov het plukte om zijn lichaam te zien bleef in zijn handen een schriel en treurig wezen over dat was omgekomen door de uitputting van zijn arbeid”.
De arbeiders ploeteren met een reden: “hier kwam een huis, waar mensen behoed zouden worden voor tegenslag en ze de buiten levende vogels vanuit de ramen kruimels zouden toewerpen”. Hun arbeid staat namelijk in het teken van een utopisch visioen: een bouwwerk dat alle arbeiders en ook de vogels zal behoeden, voor de ongure werkelijkheid waarin iedereen zich vergeefs afbeult. Maar dat bouwwerk is een illusie. Er is alleen een tot in het groteske uitdijende bouwput, die steeds meer op een afgrond en een ravijn lijkt. Een bodemloze put, vol bevreemdende lagen van “onbeweeglijke aarde” en ondoordringbaar vreemde klei. Waarin de arbeiders steeds wanhopiger spitten, snakkend naar uitputting die hun denken verdooft. Die bodemloze bouwput lijkt een symbool voor de gapende leegte in de Russische ziel. Of van een gapend gat in een kapotte wereld, die volledig opnieuw opgebouwd moet worden. Zonder dat dit ooit zal lukken.
De melancholische wanhoop is bij Platonov dus enorm schrijnend. Maar tegelijk maakt juist dat de utopische hoop op verlossing des te urgenter en intenser. Bovendien schijnt Platonov ook zelf vurige utopische hoop gekoesterd te hebben. Want hij was een overtuigd communist. Ondanks alles. In elk geval verwoordt Platonov de wanhopige hoop even pregnant en origineel als de wanhoop om alle ellende. Bijvoorbeeld in een passage over een communist die ervan droomt “om vóór de partijlijn uit te rennen en deze later op open grond vreugdevol op te wachten: dan zou de lijn hem zien en als een eeuwige stip in zich opnemen”. Of als hij beschrijft hoe verschillende desolate personages hunkerend dromen van een meisje dat hen lang geleden een nauwelijks opgemerkte zoen gaf. Of hen een zijdelingse blik gunde. Waarna zij alleen nog voortleeft als onbegrepen en ongrijpbaar droombeeld. En als herinnering aan een lang vergeten zomerdag, in een vervaagde pure kindertijd vol prille hoop.
Intrigerend is ook het volgende hallucinatoire en utopische visioen, waarin het desolate grijs van de geboortegrond mooi contrasteert met het lichtende wit van de bouwsels en de kleurrijkheid die aan kindertekeningen en kindertijd doet denken: “Met de verbazing van een man die verdriet gewoon is bezag Proesjevski de precieze teerheid en afgekoelde, gesloten kracht van de verafgelegen monumenten. Hij had nog nooit een stapel stenen zo’n geloof en vrijheid zien uitstralen en kende geen lichtgevende wet die voor het grijs van zijn geboortegrond van kracht was. Als een eiland stond deze witte intrige van bouwsels gerust te stralen te midden van de verdere wereld in aanbouw. Maar niet alles aan de gebouwen was wit – op sommige plekken waren ze blauw, geel en groen van kleur, wat ze de nadrukkelijke schoonheid van een kindertekening verleende”. Een fraai, verlokkend visioen. Al is de aan zijn verdriet gewende Proesjevski, schrijnend genoeg, te bedroefd om er in te geloven: “Hij voelde zich op de uitgedoofde aardse ster meer op z’n gemak bij smart; vreemd en ver geluk wekte schaamte in hem - zonder het zich te realiseren zou hij willen dat de eeuwig in aanbouw zijnde, nimmer afgebouwde wereld op zijn verwoeste leven leek”.
De stijl en vorm van De bouwput zijn fenomenaal van ongewoonheid. Ook zijn de hoop en wanhoop in dit boek schroeiend intens. Bovendien is Platonovs taal vol van onnavolgbaar originele schoonheid, en doordrenkt met grillige beelden en zinnen die je nergens anders vindt. Dus heb ik De bouwput met veel vreugde herlezen. En binnenkort zal ik dat ook met zijn andere romans gaan doen.