Ook 2021 was weer een vreemd jaar voor ons allemaal, want die corona- pandemie wil maar niet weg. Wat voor mij misschien een luxeprobleem is, want mijn baan leent zich prima voor thuiswerken en met 2 prikken plus 1 booster in de arm ben ik weliswaar niet 100% veilig maar wel heel aardig beschermd. Maar toch, de pandemie houdt mij bezig, al was het maar door alle ellende die hij direct of indirect bij zoveel anderen veroorzaakt en door de verhitte politieke debatten die deze pandemie met zich meebrengt. En dat leidt mij soms behoorlijk af, zelfs bij het lezen, hoe graag en veel en vaak ik ook lees. Het lukte mij kortom minder makkelijk om helemaal te verdwijnen in de andere wereld van het boek. Mede daardoor haakte ik vaker af dan gewoonlijk, zelfs bij boeken die mij heel boeiend leken. Want ik had en heb minder geduld, en een wat wispelturiger humeur.
Maar ondanks dat heb ik toch wel weer 53 boeken gelezen, soms best dikke, en ben ik redelijk op weg met boek 54: het ruim 1100 bladzijden dikke en spetterende "Berichten uit het keizerrijk" van de ten onrechte vrij onbekende Mexicaan Fernando del Paso. En ik had weer dikke leespret. Bijvoorbeeld met "Vaders en zonen" van Toergenjev, in de sprankelende nieuwe vertaling van Froukje Slofstra, en met "De dertig beste verhalen" van Tsjechov, in de soms discutabele maar wel swingende vertaling van Hans Boland. Herlezen van de grote oude Russen in nieuwe vertalingen is immers altijd weer een mooie belevenis. Net als het lezen van vertrouwde en geliefde schrijvers die mij nooit teleurstellen: "De bediende" van Robert Walser, "Kleerkamer in kindertijd" van Patrick Modiano, "Langzame terugkeer" van Peter Handke, "Het verlichte hol" van Max Blecher, "Het oog van de naald" van Wieslaw Mysliwski, "Klara and the sun" van Kazuo Ishiguro, "Herkomst" van Sasa Stanisic, en "Ik is een ander" van Jon Fosse. In 2022 komt trouwens het slot van Fosses septologie, en daar zie ik erg naar uit. Bovendien was ik heel gecharmeerd van "De reparatie van de wereld" van Slobodan Snajder: dat is voor mij vanaf nu ook een vertrouwde en geliefde schrijver van wie ik meer wil lezen. Net als Abdulrazak Gurnah, de kersverse Nobelprijswinnaar, want "Paradise" smaakte serieus naar meer.
Ook las ik soms meerdere boeken van dezelfde vertrouwde schrijver. Bijvoorbeeld van twee IJslanders: "Codex 1962", "De fluisterende muze" en "Blauwvos" van Sjón, en "Het geknetter in de sterren", "Zomerlicht, en dan komt de nacht" en "Het verhaal van Asta" van Jón Kalman Stefánsson. De eerstgenoemde IJslander wist mij weer helemaal te betoveren met zijn even uitzinnige als dichterlijke en originele verbeeldingskracht, terwijl Stefánsson mij weer helemaal onderdompelde in werelden vol melancholie, verlangen en even wanhopige als meeslepende prozakunst. Ook Antonio Lobo Antunes stelde weer niet teleur: ik las "De andere kant van de zee" en "Paardenschaduw op zee" met rode oren, bewonderde Antunes' karakteristieke uitgeschreeuwde lange zinnen die ook nu weer tot de nok waren gevuld met empathie en poëzie, en vierde dus twee keer het barokke leesfeest zoals je dat dat alleen bij Lobo Antunes vieren kunt.
Nog iets specialer voor mij was echter de vertaling van drie autobiografische novellen van Thomas Bernhard: "De kou", "De adem" en "De kelder". Deze drie novellen vormen samen met het eerder al vertaalde "Een kind" en "De oorzaak" een fascinerend vijfluik: alle novellen zijn leesfeesten op zich door Bernhards unieke intens- zwartgallige proza, en ze werpen bovendien een prachtig nieuw licht op de tot op het bot doordringende inzet van Bernhards schrijverschap. Want juist in deze novellen geeft hij mooie motivaties voor zijn zijn woede en zijn wanhopige afkeer van de wereld: hij laat ons in volkomen compromisloos proza zien hoe hij zichzelf vormgegeven heeft als volkomen compromisloze schrijver. En dat vond ik prachtig om mee te maken. Op termijn zullen alle vijf novellen (her)vertaald worden door Ria van Hengel, en wie weet herlees ik ze dan allemaal achter elkaar. En ook ander werk van Bernhard zal ik graag lezen. Zeker zo speciaal was voor mij bovendien de herontdekking van Juan Carlos Onetti. De nieuwe vertaling van de novelle "Afscheid", waarin de volstrekt gedesillusioneerde personages hun wanhoop en mislukking op bijna heroische wijze omarmen, was een belevenis op zich. En bovendien aanleiding om Onetti's geniale meesterwerk "De werf" weer eens te herlezen, en om zijn prachtige verhalenbundel "De put" eindelijk eens open te slaan. Er gaat de komende jaren meer worden vertaald van Onetti: ik zal dat aandachtig volgen, en ik ga ook ander werk van hem herlezen of alsnog via antiquariaten opsnorren.
De meest indrukwekkende non- fictie afgelopen jaar was voor mij van Hannah Arendt. Ik las eerst "Hannah Arendt. Politiek denker" van Dirk de Schutter en Remi Peeters, en daarna haar hoofdwerken "The human condition" en het net vertaalde "Het leven van de geest". Dat was een grandioos intellectueel leesavontuur. Zelden heb ik zulke originele en verrassende perspectieven gezien op zovele bekende denkers: Socrates, Plato, Kant, Heidegger, Duns Scotus, Aristoteles, Nietzsche, Augustinus en zeer vele anderen glanzen bij Arendt anders en fraaier dan ooit. Bovendien schrijft Arendt schitterende dingen over pluraliteit, over de mens als singulier wezen in een altijd vreemde en onvertrouwde wereld, over het actieve leven als permanente en nooit te voltooien dialoog tussen singuliere en volkomen verschillende wezens, over het denken dat - in tegenstelling tot het weten- alles in beweging zet en dat begint en eindigt in "bewonderende verwondering", over hoe de mens altijd zoekt (of zou moeten zoeken) naar betekenis in deze zo onbegrijpelijke wereld, en vooral over nataliteit: het vermogen van alle mensen om iets totaal en radicaal nieuws in gang te zetten, en om een onmogelijk geachte wending te geven aan ons leven, ons handelen en ons denken. Met name na "Het leven van de geest" begon ik helemaal te geloven in die nataliteit, hoe onvoorstelbaar het radicaal nieuwe in zichzelf ook is en hoe sceptisch ik vaak ook ben. En vooral daarom vond ik Hannah Arendt een enorm inspirerend denker, van wie ik komende jaren nog meer wil leren kennen.
Mijn ontdekking van het jaar was echter Juan Benet, een door sommigen zeer bewierookte Spaanse schrijver van wie ik echter nog nooit had gehoord. Dat veranderde door de enthousiaste en informatieve stukken op de website van Uitgeverij Kievenaar, die deze Spanjool via nieuwe vertalingen onder de aandacht gaat brengen. Ik las ademloos "In de schemer" (ooit uitgegeven bij IJzer) en "Een graf/ Numa, een legende" (in 2021 verschenen bij Kievenaar). Vooral laatstgenoemd boek - een bundeling van twee novellen- vond ik verpletterend. Zelden las ik zulk Faulkeriaans- intens proza, vol van duistere zieleroerselen die tegelijk zo ongrijpbaar en zo emotionerend zijn; zelden las ik proza waarin er zo intens en bijna Beckettiaans- vergeefs wordt gewacht op boodschappers of personen of verlichtende waarheden die niet komen; zelden las ik proza waarin personages zo enorm gefascineerd zijn door een Maatgevende Wet die richtsnoer moet zijn voor hun handelen en die orde moet brengen in de chaos, maar die zich in Kafkaiaanse nevelen verhult. Benet doet mij kortom meteen denken aan de giganten Faulker, Beckett en Kafka: niet alleen door stijl en thematiek, maar ook door het torenhoge niveau van deze twee novellen en die ene roman. Volgend jaar zal bij Kievenaar "Je zult terugkeren naar Región" verschijnen, Benets hoofdwerk. Ik ben uiterst benieuwd, want "Een graf/ Numa, een legende" vond ik het meest imponerende boek dat in 2021 uitgegeven werd. Zij het ex aequo met "The promise" van Damon Galgut: een heel terechte Bookerprize- winnaar, een schitterend meestemmige roman over gebroken personages in een gebroken land (Zuid- Afrika), een roman bovendien waarin het perspectief voortdurend wisselt tussen "ik", "jij" en "hij" en tussen tientallen verschillende personages. Dat, in combinatie met Galguts enorme stijlbeheersing en imposant veelzijdige stijlregister, leverde een wel heel rijke roman op. Ook van Galgut wil ik dus meer lezen, net als van Benet. Ik las "The promise" trouwens samen met Ellen IJzerman/Prowisorio, en dat verhoogde het leesplezier nog aanmerkelijk.
Het meeste leesplezier had ik in 2021 echter bij herlezing van een al wat ouder boek: de fameuze trilogie "Molloy, Malone dies, The unnamable" van Samuel Beckett. Ooit las ik die trilogie in Nederlandse vertaling, nu herlas ik hem in de Engelse vertaling van Beckett zelf. Net als "Nohow on" (bundeling van de drie novellen "Company", Ill seen ill said" en "Worstward ho") en "How it is" (een boek dat alleen uit afgebroken zinnen bestaat, of liever gezegd uit onsamenhangende woordgroepjes zonder hoofdletters en leestekens). Beckett koos er ooit voor om in het Frans te schrijven, maar vertaalde dat dan zelf vervolgens ook weer in het Engels, en de taalvirtuositeit van die Engelse vertalingen vind ik tot nu toe adembenemend. En vooral in die trilogie slaagde hij erin mij helemaal mee te nemen in een wereld die van alle franje is ontdaan, die van alle houvast is beroofd die onze taal en conventies nog lijken te bieden, en die gestript is van alle decorum en illusies waar wij ons in het dagelijks leven aan vasthouden. Of denken vast te houden. Een wereld waarin wij ronddwalen zonder doel, en waarin wij leven en sterven zonder enig waarom, want er is geen waarom. Een wereld waarin wij vergeefs wachten zonder te weten waarop wij wachten, want iets te verwachten hebben wij niet. Een wereld waarin we alleen maar kunnen rondkruipen, of doelloos kunnen blijven liggen, wetend dat alles binnen en buiten ons hoofd een illusie is. Zelfs ons hoofd zelf. Beckett biedt ons kortom fascinerende glimpen op het naakte zijn, en op de ongrijpbare en ongedefinieerde wereld die "er is" nog voordat hij vorm gekregen heeft in onze taal, onze zintuigen, onze begrippen. En die glimpen maakten mij helemaal euforisch, hoe zwartgallig Beckett ook is. Want zijn taalvirtuositeit is ongelofelijk, het ritme van zijn zinnen en de indringendheid van zijn beelden zijn ongekend, en wat hij ons toont vind je bij geen andere schrijver ter wereld. Veel mensen houden niet van Beckett, en dat begrijp ik volkomen. Maar ik vind hem geweldig, en ook volgend jaar wil ik weer wat Beckett- proza gaan lezen of herlezen. In het Engels, uiteraard.
Ook in 2021 heb ik mij kortom, ondanks al het coronagedoe, weer prima vermaakt met diverse schrijvers en boeken. Zodat ook dit jaar weer rijk was aan hoogtepunten in mijn lezersbestaan. En dan denk ik vooral aan Hannah Arendt, aan Juan Carlos Onetti, aan Thomas Bernhard, aan "Een graf/Numa, een legende" van Juan Benet en "The promise" van Damon Galgut, en aan de herlezing van Becketts geweldige trilogie.