De opbouw van dit boek deed me denken aan een woest weefsel met verschillende kleuren en patronen. Waarbij de kleuren staan voor de centrale personages en de patronen voor de vertelvormen. Agnès altijd in ik-perspectief en in de tegenwoordige tijd, maar wel met flashbacks naar vroeger en naar haar tijd met Pierre; Colette soms in ik-perspectief, op de cassettes, maar soms ook in personaal perspectief, in verleden tijd. Soms een toefje Soudoro, Blanche, de overbuurvrouw van Colette. Soms via een alwetende verteller, dan weer in personaal perspectief of in ik-vorm. Hier en daar een stukje Jean. Het filmscript over Hannah. De brieven. Veel cliffhangers erin, waarbij je soms best lang moest wachten om dat draadje weer op te pikken. Uiteindelijk was het wel één geheel, en daar heb ik bewondering voor, want het was nogal wat om aan elkaar te knopen. Alles klopte wél.
Tegelijk vond ik het soms een beetje teveel van het goede. "In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister", zei Goethe en daar moest ik vaak aan denken bij het lezen van dit boek. Ik denk dat het verhaal aan kracht had gewonnen - voor mij dan - als de schrijfster zich iets meer beheerst had. Het perspectief van die overbuurvrouw van Colette, was dat nou echt nodig? De uitleggerige stukken over waar Soudoro geweest was, die vaak ook niet logisch in de tijdlijn pasten. De brieven van Blaise. Het was me iets te bombastisch allemaal.
Dat laatste kan ik trouwens niet zeggen van de schrijfstijl; die vond ik eerder wat staccato met veel korte zinnen: "Hij is dood. Ik hoop dat hij nooit rust vindt. Doden geef je niet aan. Die begraaf je." Tak-tak-tak-tak. Maakt het wel makkelijk leesbaar trouwens. Echt mooie zinnen heb ik niet gezien, wel een paar sentimentele draken, zoals 'een oceaan van onzekerheid', 'De symfonie van onze nacht samen', 'Haar tranen mengen zich met het zoute water', dit soort quasi-poëtische vondsten zijn aan mij dus niet besteed. Ik vond dat de frequentie van dat soort zinnen toenam naarmate het boek vorderde.