
“We zijn er weer bij en dat is prima.” Yeah right!! De bal rolt, the game is on. De eerste verrassingen zijn al een feit: 4-1 walk-over van de Verenigde Staten op Paraguay. En dan Australië tegen Turkije … Oh my! Voor wie liever een boek leest dan gras ziet groeien, kan het WK misschien niet snel genoeg voorbij zijn. En al lijken het twee onverenigbare werelden, er is wel degelijk balcontact: voetbal en literatuur vinden elkaar soms. Sporadisch, maar toch. En het zou zo maar eens kunnen dat die kleine bibliotheek dit jaar een welkome aanvulling krijgt met Het laatste elftal van Barbi Marković (Belgrado, 1980). Gaat de Servische auteur scoren of wordt het een afzwaaier? Here we go! Allez, allez, allez!
Balcontact | Literaire wk-snacks
Andere sporten lijken wat makkelijker hun weg naar de literatuur te vinden. Denk aan De renner van Tim Krabbé of De Spaanse renner van Lidewey van Noord waarin de koers verweven zit in een fictief verhaal. In de Amerikaanse literatuur heeft het baseball een repeterende plek. Bidden wij voor Owen Meany van John Irving of De kunst van het veldspel van Chad Harbach zijn literair hoog gewaardeerd. John DeLillo laat Onderwereld beginnen met een legendarische honkbal-wedstrijd, om vervolgens de bal van die homerun als een rode draad door de rest van de vuistdikke roman te laten lopen.
Met voetbal is dat anders. Bibliotheken vol zijn geschreven over die sport, maar de bulk is non-fictie en ramsj-materiaal: clubhistorie, biografieën, legacy, de ‘kampioens-annalen’ en zwaar tijdsgevoelige portretten van op dit moment florerende spelers. Met literatuur heeft het niet veel van doen. Vaak luchtig geschreven voor tijdens de zomerstop van de competitie zijn ze ideaal voor op vakantie: als een beachread voor op je handdoekje aan het zwembad.

Toch maken voetbal en literatuur soms wel degelijk balcontact. Oase in de woestijn is het literaire tijdschrift Hard Gras, dat niet de voetbalcultuur maar voetbal als cultuur beschrijft. Al sinds half de jaren ‘90 schrijven Nederlandse en Vlaamse auteurs mee: Jan Wolkers, Anna Enquist, Herman Brusselmans en bijvoorbeeld ook Peter Buwalda: “… maar zodra ik in het bijzijn van de andere strebers het woordje ‘leerlingjournalist’ had uitgesproken, trok mijn speeksel zich terug, eb in de mond”. Wie recent De jaknikker las, zal deze formulering uit Hard Gras #82 (2012) herkennen.
Nou blijft het daar voornamelijk bij reportageliteratuur, waarin voetbalminnende auteurs als Frans Thomése en Thomas Heerma van Voss hun literaire vakkunst inzetten voor hun sportverhalen. En even een persoonlijke steekpass: Waarom gaat Danielle Kliwon niet eens een roman schrijven? Anyways, in ‘De bruine jas langs de zijlijn’ geeft Heerma van Voss emotioneel invoelbaar woorden aan het gemis van zijn vader Arend Jan, met wie hij de passie voor het balspel deelde.
“Als ik aan mijn vader denk (…), denk ik aan oneffen grasvelden, aan ploeterend amateurvoetbal, aan naar frituur ruikende kantines, aan het blauwwitte kostuum waarin ik me al jaren elke zondag hijs, aan de eindeloze stoet wedstrijden die we samen op televisie bekeken. (…) We keken veel televisie samen in de laatste maanden, weken, dat wilde hij graag. Een rits actiefilms die we allang kenden en - vooral - tamelijk willekeurige live-wedstrijden. Veel Premier League. Serie A, Eredivisie. “ (HG#146 oktober 2022)
Dat artikel lijkt een assist op zijn latere roman. Schreef hij eerst nog een non-fictief verhaal, het heeft later duidelijk raakvlakken met het fictieve Het Archief, waarmee Heerma van Voss in 2025 de longlist voor de Libris Literatuur Prijs haalde. Minder specifiek op het voetbal en meer op de band van vader en zoon gericht, zijn de beelden en gedeelde passie - en de link tussen artikel en roman zo - daar zeker in terug te vinden.
“Vanaf de bank zag ik mijn vader zijn hoofd schudden. We keken samen nog een overbodige Star-wars-film en enkele laatste voetbalwedstrijden, onbelangrijke potjes uit Duitsland en Engeland, ook ik dommelde bijna weg.” (Het Archief)
Misschien een makkelijk inkoppertje: voetbal als cement in een relatie tussen vader en zoon. James Worthy vangt in Liverpool - een liefdevol eerbetoon aan zijn overleden vader - eveneens die gedeelde passie. In prachtige, gevoelige, fraaie zinnen. “Niemand kan zo mooi rouwen als Worthy”, zei de jury bij de uitreiking van de Nico Scheepmaker Beker in 2022. Deze prijs voor het beste sportboek van het jaar is voor liefhebbers van literaire sportverhalen écht eentje om in de smiezen te houden. Hier worden juist die boeken genomineerd en geëerd die sportbeleving in een maatschappelijke context zetten.

Omdat voetbal voor de maatschappij de belangrijkste bijzaak zou zijn, linken meer romans naar het voetbal. Al is dat niet altijd positief. In Slechte gewoontes beschrijft Alana S Portero een stadionbezoek voor een wedstrijd van Los Blancos (ter verduidelijking …. Real Madrid 😁). De tribale sfeer en de metafoor van voetbal als toxisch masculine badge voelt voor haar grimmig en vijandig aan. Een tegendoelpunt dat nadreunt:
“Zelden heb ik zo’n treurige omgeving met zo’n bizarre sfeer gezien, absoluut niet de plek om vanbinnen kapot te gaan (…) Van alle absurde riten waaraan ik deelnam om de schijn op te houden waren die van voetbalfan het minst goed te begrijpen.”
Anderen in de knel dichten de samenkomst voor het spektakel op het gras juist overlevingskracht toe. De rituelen van het volgen en meeleven met het godenzonen van 1968 laten de jonge verteller in Auke Kok’s Flinke jongen juist ontsnappen aan huiselijke spanningen en psychologische mishandeling. Al weet zijn vader ook dan die liefde te kleineren. Zowel zoon als jong aanstormend talent ‘Cruyffie’ zijn in zijn ogen ‘niet kranig’ genoeg.

Zit het voetbal geregeld als secundaire draad in een verhaal verweven, echte voetbalromans zijn er niet zo veel. Maar ze zijn er wel. Een boek dat volledig om een goalie met voetbal-pensioen draait, is De angst van de doelman voor de strafschop (1970; in 2019 heruitgegeven door Koppernik) van Nobelprijs-winnaar Peter Handke. Voetbal zelf komt weinig voor in deze bijzondere roman, die oud-keeper Josef Bloch volgt op een doelloze dwaaltocht door Wenen. Het gaat hierin om de psychologie van de strafschop: de keeper eenzaam en alleen in het grote doel, proberen de tegenspeler te lezen, lukraak een hoek kiezen.

Als er één roman is, die het doelnet echt doet bollen, dan is het Fever Pitch ofwel Voetbalkoorts van Nick Hornby. Gevoed door zijn liefde, uhm onmetelijke passie voor the Gunners - nog maar eens: Arsenal dus - , laat de Britse auteur voetbal als cultuur in al zijn mooie en lelijke verschijningen zien. In zijn welbekende humoristisch stijl maakt zijn roman een statement: van wat fan-dom is, wat voetbal is - of kan zijn - in een maatschappij, een gemeenschap, families, een mensenleven. Totaal beleving.
“Football culture is so amorphous, so unwieldy, so big (…) that it inevitably attracts more than its fair share of fantasists.” (Fever Pitch 53)

Nou stamt Voetbalkoorts al weer uit begin jaren ‘90. Hoogtijd dus voor een nieuw geluid. De afgelopen jaren verschenen Spits van Bavo Dhooge en Het 17de van Elvin Post. Het laatste elftal van Barbi Marković maakt een goede kans zich bij de selectie te voegen. Gescout als voetbalboek van het jaar in Duitsland vorig jaar klinkt in deze de belofte.
Marković schreef eerder Minihorror. In haar nieuwe roman - vertaald door Lotte Lentes - over een dochter en haar vader verweeft zij het uiteenvallen van het voormalig Joegoslavië met de deelname van het nationale elftal aan het WK van 1990. “Een klein boekje over grote veranderingen. Nu al een klassieker in de voetballiteratuur.” (Welt am Sonntag). Klinkt als een smakelijke en ware wk-snack. Alleen proeven en dus lezen kan deze belofte inlossen. De punten worden verdeeld als het laatste fluitsignaal heeft geklonken. The game is on!