Vraag 2
Ik hink op twee gedachten bij deze vraag.
Aan de ene kant zou het kunnen. John heeft wel iets met taal. Toen hij een jonge voorganger was, begon hij met het vertalen van de evangeliën in het Schots. Hij beheerste de taal redelijk maar sprak het niet vloeiend. En bij zijn opleiding heeft hij natuurlijk Latijn, Grieks en Hebreeuws gehad. Hij heeft voor zijn vertrek contact gehad met een leraar Orkadisch dialect die hem inzicht probeert te geven in het gedrag van de klinkers, de medeklinkers en de uitspraak in het algemeen.
Ook de opbouw bij het aanleren van een nieuwe taal is over het algemeen aannemelijk. Eerst beginnen met zelfstandige naamwoorden, daarna de werkwoorden. John legt een woordenboekje aan, al dan niet fonetisch geschreven. Hij wordt helemaal ondergedompeld in de taal en dat is altijd de beste manier om het te leren.
Wat voor mij ongeloofwaardig is, zijn de vele bijvoeglijke naamwoorden die al zo snel worden toegevoegd. Bijvoorbeeld bij het aanleren van de kleuren. Dat is al een uitdaging op zich, maar om dan ook nog te leren welk woord hoort bij 'een blauwig, dof grijs', 'donkergrijs', 'gevlekt, bont geschakeerd' lijkt me iets te hoog gegrepen. In dit stadium is 'grijs' genoeg. Ook de nuances in woorden over het weer en het water (blz. 121) zijn meer voor gevorderden
En het tijdsbestek van ong. 4 weken is wel heel kort!