Wil2 toch, ze kijkt er naar terug als volwassenen en kleurt in als volwassene, ze kijkt dan niet meer als kind.
Telkens neemt ze ook wat afstand, de verteller, waardoor ze de volwassene is die terugkijkt. Zoals ik nu kan terugkijken op herinneringen uit het verleden, toen ik 4, 5 6 jaar oud was. Ik zie het voor me met mijn blik, mijn woorden en mijn herinnering en dus zou ik het ook vertellen met die woorden en niet met de woorden die ik er toen als kind aan zou geven.
Het is een ik-verteller van nu en geen ik-persoon die (bijna) 6 is.
Ik stel me voor dat ik enkele bijzondere herinneringen uit mijn kinderjaren aan jou zou vertellen. Dan zijn dat niet de woorden van die 6-jarige.
Het beeld dat ze van die jongen heeft, die uit het raam sprong, is gekleurd door haar huidige ik, beschreven met het gevoel van de huidige ik, niet met de blik van het kind van toen.
Ze voegt ook informatie toe van wat zij dacht en voelde en hoe zij interpreteerde, hoe zij de gevoelens van de ander las.
Als zij dan als kind zou spreken/schrijven zou dat niet kloppen.
Die ene zin die jij aanhaalt, dat is niet de 5 jarige, maar de volwassen verteller. Als kind vond ze die jongen mooi, het beeld dat ze nu terughaalt (gelaatstrekken van een jongen die nooit een man geworden is) is vanuit de volwassen verteller terugkijkend. Dat kind dacht niet, dat hij nooit man geworden is op dat moment, dat denk je pas later.
‘Efrén was beeldschoon en de leegte van de dood paste goed bij de zachte gelaatstrekken van een jongen die nooit een man is geworden.’ (P. 10/11) de opmerking “KIND van 5?!