Toen ik begon met schrijven, stond ik voor een vraag die veel beginnende auteurs kennen: doe ik dit onder mijn eigen naam, of kies ik voor een pseudoniem?
Een pseudoniem leek me aanvankelijk een schild. Niet zozeer omdat ik anoniem wilde blijven — mijn echte naam is in deze tijd met wat moeite toch te achterhalen — maar omdat ik mezelf de vrijheid wilde geven om te schrijven zonder meteen beoordeeld te worden als “de arts die ook een boek schrijft”.
Die scheiding voelt veilig. Mijn dagelijkse werk als chirurg vraagt precisie, verantwoordelijkheid en rationaliteit. Schrijven daarentegen is voor mij een wereld van verbeelding, emotie en twijfel. Twee kanten van hetzelfde leven, die ik moeilijk naast elkaar kan laten bestaan. Het pseudoniem helpt me die werelden van elkaar los te koppelen.
En toch… soms voel ik me bijna betrapt. Wanneer collega’s lucht krijgen van mijn schrijversambities, merk ik dat ik het moeilijk vind om daar open over te praten. Alsof ik moet uitleggen waarom ik na een dag in de operatiezaal nog woorden wil kneden tot een verhaal. Alsof het niet ernstig genoeg zou zijn, niet “wetenschappelijk” genoeg.
Misschien is dat de diepste reden voor mijn pseudoniem: het geeft me de ruimte om mezelf opnieuw uit te vinden, zonder meteen de ballast van verwachtingen of oordelen. Om schrijver te zijn, gewoon omdat ik dat wil.
Of mijn pseudoniem ooit overbodig wordt? Dat weet ik nog niet. Misschien komt er een dag dat beide werelden volledig samenvallen. Tot dan draag ik mijn schrijversnaam met trots – als masker en als spiegel tegelijk.
Lisa Ozemoya
